Blauwtje

Ik kom bij kennis in een ambulance.
Mijn hoofd is ingezwachteld, een been gespalkt, een arm rust in een mitella.
Een geknakte roos ligt op mijn buik.
Langzaam komt mijn herinnering terug.

Ik schuif de ladder omhoog tot Mireilles slaapkamerraam.
Met een rode roos geklemd tussen mijn tanden klim ik naar boven, kijk naar binnen.
Zij ligt in bed, vrijt met een vrouw.
Het vensterglas trilt onder mijn gebonk.
Geschrokken schieten ze overeind.
Twee vrouwenlichamen rennen mijn kant op.
Ik sta oog in oog met vier deinende borsten.
Het raam wordt opengesmeten, de ladder wankelt.
Ik verlies mijn evenwicht.