Autorit

‘Mooie auto, Ton.’

‘Dank je, Deerntje.‘

‘Fijn dat ik mag meerijden, scheelt me een hoop reistijd.’

‘Och, ‘t is geen moeite, hoor. Ik hoefde maar een klein stukje om.’

 

‘Kijk uit! Die fietser ziet jou niet.‘

‘Hm.’

‘Dat is toch asociaal? Ik schrikt me rot. Dat doet maar.’

‘Ik had hem allang gezien hoor, Deerntje.’

‘Dat is toch zo’n elektrische fiets? Normaal zie ik bejaarden nooit zo snel gaan.’

‘Ja.‘

 

‘Pas op, Ton! Dat kind!’

‘Welk kind?’

‘Nou Ton, verdomme! Zit je me te bedonderen?’

‘Haha, natuurlijk. Ik had mijn gaspedaal al lang los, hoor.’

‘Daar moet je geen grapjes over maken, Ton. Daar krijg ik nachtmerries van. Voor je het weet heb je er een onder je auto. Die kinderen kijken niet uit.’

‘Maar ik wel! Ik zei toch dat ik mijn gaspedaal al los had gelaten?’

‘Puh, dat weet ik toch niet? Ja sorry hoor, maar ik vind autorijden doodeng. Ik ben ooit zelf na drie rijlessen gestopt.’

‘Dan heb je nog altijd één rijles meer gehad dan ik.’

‘Dat meen je niet! Hoe ben je dan aan je rijbewijs gekomen?‘

‘Laat ik zeggen; connecties, Deerntje. Connecties.’

 

‘Hou je vast! Ik moet hier naar links, voor die vrachtwagen langs.’

‘Ton! Káppen! Ik sta doodsangsten uit!’

‘Stel je niet zo aan, ik had ruimte zat.’

‘Ik doe mijn ogen wel dicht, hoor.’

 

‘Verdomme, die kut-Audi snijdt me! Eikel!’

‘Whaaa!’

‘Dat ging gelukkig nog nèt goed. Shit! Wat ruik ik nou?’

‘Sorry, Ton; ik … dat komt door de schrik.’

 

Recente Artikelen

Archief